Het door Dr. v.d. Akker gevolgde systeem van meenemen, eventueel kopen en plaatsen van jonge honden, nadien nog vele malen door hem gepraktiseerd, had zowel voor- als nadelen. Het was midden in de oorlog en daardoor een moeilijke tijd voor het verkopen van honden. Nú raakte je de honden tenminste kwijt en wij moesten immers fokken om het minimale bestand uit te breiden, maar je wist niet waar de honden bleven.
Dit laatste nu geeft een van de grootste moeilijkheden met het vaststellen van de herkomst van verschillende, op die manier verspreide honden. Registratie en stambomen bestonden er in die periode voor de langhaar nog niet en er was ook niemand die zich daar druk over maakte. Gelukkig heeft Dr. v.d. Akker in die beginperiode nogal eens honden gefotografeerd en - ofschoon hij zeer gesloten was op dat gebied -ook wel eens iets verteld. Met Herder is nog eenmaal gefokt met een mooie langhaar van onbekende afstamming, dit was dan de derde hond die Ir. Voskens voor Dr. v.d. Akker had gevonden. In een brief van 28 maart 1941 maakte Ir. Voskens daar melding van. Deze hond, een reu die later Kees bleek te heten, was 6 ŕ 7 jaar oud en in het bezit van een tuinder in Waalwijk. Ofschoon Dr. v.d. Akker mij zelf het adres had doorgegeven en hij van mijn plannen afwist, was hij toch geďrriteerd omdat hij zelf plannen met die hond had gehad. Eén van de jonge honden uit dit nest is naar Waalwijk gegaan (een pup i.p.v. dekgeld), een paar anderen naar Zeist. Herder zélf werd in de winter van 1944-45 overreden. Daarmee eindigde mijn eerste periode met de langharen, ofschoon ik met Dr. v.d. Akker contact bleef houden tot ongeveer 1950. Indirect bleef ik mij nog een tijdje bezighouden met de langhaar, ook mijn lidmaatschap van de NHC eindigde in 1950.



foto 6
Blida met mevr. N. Corbeel-
van den Oever en haar vader

Maar nu weer terug naar het eerste nest van Herder, het volgende nest langharen na Adri. Eén van de honden die Dr. v.d. Akker had meegenomen, was terecht gekomen - zo bleek overigens pas veel later - bij de familie Corbeel, Soestdijksestraatweg 157 Zuid te Bilthoven. Deze hond heette Blida (foto 6) en heeft minstens drie keer een nest gehad: op 14 juni 1943, op 8 juli 1947 en eind 1948. Deze data zijn bekend omdat de familie Löming in Bilthoven uit het eerste nest een hond "Waldo" heeft gehad. Mevr. E. de Boer-Löming kon mij die datum geven. Uit datzelfde nest heeft een vriend van mij in Nijmegen een teefje gehad, "Minka" met geen van beide honden is gefokt. Minka heb ik zeer goed gekend: een donker -goudgestroomde hond met een allerliefst karakter.

Wat er van de andere eventuele honden uit dit nest is terecht gekomen, is onbekend. De datum van het tweede nest zijn wij te weten gekomen door een vermelding in de NHC catalogus op 15 mei 1951 te Utrecht. Daarin wordt genoemd als nr. 41 "Prins", eigenaar F. Koele te Zeist. Moeder van Prins is Blida. Wie de vader was, wordt helaas niet vermeld en we weten dat ook niet van het eerste nest van Blida.

Uit een briefwisseling van mij met mevr. E. Koele -Groothuizen te Zeist blijkt, dat de familie Koele al eerder, tijdens de oorlog, een langharige Hollandse Herder van Dr. v.d. Akker had gehad. Deze hond is echter op jonge leeftijd aan de hondenziekte overleden. Deze eerste hond heette Prins, zoals ook alle latere langharen van de familie Koele zouden gaan heten. Dit was dus Prins II. (foto 7) Met hem is wel gefokt en daarmee is de lijn Faust - Adri - Herder - Blida voortgezet en van belangrijke invloed geweest bij de opbouw van de variëteit zoals verderop zal blijken. Prins II vertoonde ook al het meer moderne type.

foto 7
Prins II
Foto van ± 1948

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

index historie