Eindelijk kwam dan toch de erkenning van de persoon op wie de woorden van A.M.A. Verhaar in 1934 van toepassing waren, toen deze schreef:" . . .laten we hopen, dat spoedig een kundige fokker deze moeilijke, maar dankbare taak wil aanvaarden." Men kan het de heer Kruis niet kwalijk nemen, toen hij schreef: ". . . te lang behaarde kortharen. . . " en dat hij bleef schrijven over "toevalsproducten". Slechts een historisch onderzoek heeft ons geleerd dat het oorspronkelijk anders was. We hebben ook gezien hoe deze "toevalsproducten" een symptoom van verwaarlozing en verval waren en geen natuurlijk gegeven. Maar het werk van Dr. v.d. Akker had erkenning gekregen; zijn ideaal om langharen van een goed type én karakter te fokken was op weg om werkelijkheid te worden. Dr. v.d. Akker heeft tot 1951 gewacht alvorens hij de eerste honden naar een tentoonstelling stuurde. Dat waren o.a. Prins II en Rana. Hij heeft zich zijn werk niet uit handen laten nemen en moest overtuigd zijn van een goede kwaliteit.
Maar . . . men was er nog niet én de kritiek was nog niet verstomd. Vlak achter de aangehaalde passage van C.A. Kruis voegt van Rheenen het volgende toe (pag. 41-42):" En met deze, door de grote kenner en niet minder grote liefhebber van onze nationale herdershond C.A. Kruis, niet ten onrechte geblazen loftrompet, zou ik dit hoofdstuk gaarne hebben besloten.Maar helaas. .wél staan de korthaar én de ruwhaar op een nóg hoger niveau dan in 1959, zowel wat exterieur als karakter betreft. Maar de langhaar is opnieuw in het slop geraakt. De meeste teven worden niet of althans zeer zelden loops. Worden zij loops en laat men haar dekken, dan nemen zij meestal niet op. Nemen zij een enkele keer wel op, dan brengen zij dode jongen ter wereld of jongen die in de eerste levensmaanden ter ziele gaan. Bij de reconstructie van deze variëteit - een reconstructie die door één enkele man en met de nodige geheimzinnigheid werd doorgevoerd - is blijkbaar een grove fout gemaakt, een fout die wel eens onherstelbaar zou kunnen zijn. In 1971 is het stamboek voor de Hollandse herders gesloten, hetgeen betekent dat er geen honden van onbekende afstamming meer ingeschreven kunnen worden. Om de fokbasis van de langhaar te verbreden bestaat nu de mogelijkheid van kruisingen tussen de langhaar en korthaar, de combinatiehonden. De nakomelingen hiervan kunnen worden ingeschreven in een speciale bijlage van de NHSB. Ik hoop van harte dat men zal slagen".
Hiermee eindigt het deel van Van Rheenen over de Hollandse Herder in zijn boekje "De Hollandse en Belgische Herder". De bitse toon van van Rheenen staat wel in schril contrast met het begrip dat C.A. Kruis kon opbrengen voor de pogingen van Dr. v.d. Akker om, met het weinige materiaal dat hij tot zijn beschikking had in de moeilijke oorlogsjaren en de jaren ná de oorlog, tot de de opbouw te komen van een eigen, goed verervende variëteit. Ik hoop dat men na al het voorgaande te hebben gelezen, men anders dan van Rheenen zal oordelen over het werk van Dr. v.d. Akker en over de langhaar.

Verbreding van de fokbasis
Inderdaad deden zich verschijnselen voor zoals van Rheenen beschrijft, maar zeker niet over de gehele linie. Op zich schijnt dit een vrij normaal stadium te zijn bij de opbouw van een ras of variëteit na nogal veel noodzakelijke en langdurige inteelt. Maar de fokbasis was tenslotte wel erg klein. Ir. J. Voskens, die in die tijd voorzitter van de NHC was, schrijft op 22 februari 1966 een brief hierover naar de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland, waarvan de strekking in het eerste gedeelte tot uitdrukking komt: "In een recente Algemene vergadering van de NHC had de verdere doorfok van de langhaar-variëteit van ons ras, de speciale aandacht van de vergadering. Er werd geconstateerd dat de fokbasis van deze variëteit te smal is geworden. Het werd noodzakelijk geacht dat nieuw bloed in te brengen. Daar het echter niet mogelijk blijkt nog verwante langhaar exemplaren te verkrijgen uit de gebieden waar deze variëteit oorspronkelijk vandaan kwam, moest er naar een andere oplossing worden gezocht. Algemeen was men van mening, dat het inbrengen van bloed van een der andere variëteiten van de Hollandse Herder, een voor de hand liggende mogelijkheid biedt. Speciaal had men hierbij op het oog de korthaar, waarvan nog voldoende goed bruikbaar materiaal voor dit doel aanwezig is . . ." In een brief van 10 juni 1966 wordt door de Raad van Beheer goedkeuring verleent onder bepaalde administratieve voorwaarden.
Men heeft er kennelijk op vertrouwd dat de goedkeuring zou komen, want het eerste nest uit zo'n combinatie werd al geboren op 5-2-1966. Vader was de korthaar Albert van het Kootwijkse Zand en moeder was de langhaar Delorus van de Hamelakker. Het tweede nest was van de korthaar-teef Petra van Zuidloorn en de langhaar-reu Arvensis' Arjen op 5-11-1967. Van nu af worden de onderlinge combinaties van volbloed- langharen met afstammelingen van deze combinatiehonden. In een brief van 30-3-1974 van de Raad van Beheer aan het secretariaat van de NHC werd nog eenmaal toestemming verleend tot het toepassen van een inkruising van een korthaar met een langhaar.

Nabeschouwing
In 1979 vierden wij het 40-jarig jubileum van de wederopbouw van de langhaar. Aan Dr. v.d. Akker komt de grote verdienste toe hiervoor de grondslag te hebben gelegd, ondanks alle tegenslagen. Velen hebben zijn werk voortgezet en uitgebreid. Laten wij zijn ideaal vasthouden: een langharige Hollandse herder, die goed van type en karakter is. Het is immers gebleken, dat het een goed ideaal is. Maar wij zullen er attent op moeten blijven, dat er voldoende gefokt wordt; het huidige bestand van de langhaar kan geschat worden op ±200. Dat is niet zoveel en de fokbasis blijft smal. Men heeft wel eens gesproken over "reconstructie", maar dat klinkt zo kunstmatig. Dr. v.d. Akker heeft ook nooit gebruik gemaakt van "toevalsproducten", maar van authentieke langharen; herleving en opbloei is beter, vind ik. Dr. v.d. Akker vond dat de langhaar moest beantwoorden aan specifieke karaktereigenschappen: rustig, vol zelfvertrouwen, sober, trouw en intelligent. Dat hij zo kán zijn, weet ik uit eigen ervaring van vroeger en nú. Dat het lang zo mag blijven en wij zijn erfenis waardig behoeden.

Nijmegen, 23 september 1978 - 29 januari 1979

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

index historie