Teruggang
Bij van Rheenen vinden we de langhaar weer terug op pag. 33 in zijn aanhaling van een overzicht van C.A. Kruis in het jaarboek van "De Hond" van 1926. Twintig jaar zijn dan voorbijgegaan! Kruis schrijft dan." Langharige Hollandse Herders leverden (op de tentoonstellingen van dat jaar) slechts 2 reuen, beiden met ZG bekroond. Sporadisch komt deze variėteit nog voor; indien men haar met alle geweld er weer bovenop zou willen werken, zal dat gezien de afstamming van het aanwezige materiaal, een zware dobber zijn. M.i. zou men echter beter doen eens dubbele aandacht aan de beide andere varianten te schenken...." Wie die twee langharen waren, weten wij niet.
Omstreeks die tijd waren er wel twee langharen met name bekend, n.l. Paris en Margando's Brutus. Van de eerste zijn thans geen gegevens meer te vinden, van de tweede weten we iets meer. Fokker en eigenaar was dhr. A.M.A. Verhaar te Schiedam. Volgens eigen woorden in het jaarboek van "De Hond" van 1934, geciteerd door van Rheenen (pag. 35) heeft de heer Verhaar tot 1926 kortharen gefokt, daarna is hij overgestapt op het fokken van ruwharen. De heer Kruis deelde mij mede dat zowel Paris als Margando's Brutus toevalsproducten waren uit korthaar ouders. Voorts deelde hij mij mede dat de heer Verhaar nooit bewust langharen heeft gefokt (brief d.d. 6-9-1978). De foto's van beide honden hebben nog dienst gedaan om de langhaar af te beelden tot respectievelijk 1935 en 1938. Vermoedelijk is met geen van beide honden verder gefokt.
Het is haast onbegrijpelijk dat het ruime en goed fokmateriaal dat in 1905 en misschien nog wel later aanwezig was, binnen tien tot vijftien jaar zo gereduceerd was, dat de schaarse langharen (tenminste op tentoonstellingen) nog slechts uit toevalsproducten bestonden. Daarmee wordt dan bedoeld dat er af en toe een langhaar geboren werd uit (voor zover bekend) kortharige ouders. Als men dan ook niet meer met deze toevalsproducten -langharen fokte, werden ze in feite uitgeselecteerd en verdwenen geleidelijk helemaal. De langhaar, voor zover nog bekend, was vervallen tot een toevalsproduct. Aanvankelijk kan hij dat niet geweest zijn, net zomin als de kort - en ruwhaar toevalsproducten waren. In hoeverre de vroegere langharen van dhr. Drost of van anderen een rol hebben gespeeld bij het tot stand komen van de "toevalsproducten" is moeilijk vast te stellen. Het is ook niet zo belangrijk, want ze hebben in de later fokkerij geen sporen achtergelaten en zijn in feite nooit gebruikt geweest.
In de brochure "Onze Hollandse Herder" van de NHC uitgegeven ter gelegenheid van het 75-jarig jubileum, wordt er op pag. 6 nog een tentoonstelling vermeld te Tilburg in 1928. Deze tentoonstelling was in 1928 georganiseerd ter gelegenheid van het 30-jarig bestaan van de NHC. Als het juist is wat er over in de brochure staat, n.l. dat "alle variėteiten vertegenwoordigd (waren)", dan zijn daar dus ook langharen geweest. In de papieren van Ir. Voskens bevindt zich ook een overgetypt verslag van dhr C.A. Kruis in "De Hond" van 21 september 1928. Zonder namen te noemen vermeldt hij: "De langharige variėteit (2 ZG en 1 G) sloot de rij." Dat was alles. Korte tijd later, in 1931, pleitte H.A.P.C. de Groot in het jaarboek van "De Hond" voor het terugbrengen van de Hollandse Herder tot één variėteit; de kort - of de ruwhaar. Voor hem is dat de ruwhaar (zie: van Rheenen pag. 34-35). Over de langhaar wordt door hem helemaal niet gesproken. Van nu af tot 1938, als de NHC veertig jaar bestaat, komt de langhaar nog slechts twee keer ter sprake. De toenmalige secretaris van de NHC, de heer J.W.F. Turion schreef in het jaarboek "De Hond" van 1933 (aangehaald door van Rheenen, pag. 35): "Het thans aanwezige materiaal wat betreft de kort -en ruwharige variėteiten is van dien aard, dat de indertijd geopperde mening dat het ras dreigde uit te sterven niet steekhoudend meer is. Met de langharige variėteit is het minder goed gesteld, als er niet ernstig wordt ingegrepen zal deze spoedig tot het verleden behoren. Dat van de langhaar wel bekoring uitgaat, moge blijken uit het feit dat H.M. onze Koningin Moeder, een langharige Hollandse Herder heeft aangeschaft. Waar deze Hoge Vrouwe vóórgaat het ras van eigen bodem te bevoorrechten, moge dit voor velen een aansporing zijn Haar te volgen. We zijn op de goede weg!"
De Koningin Moeder was Koningin Emma, die in het jaar daarop overleed, in 1934 dus. Helaas, hoe goed bedoeld ook, de woorden van dhr. Turion waren wat betreft de langhaar veel te optimistisch én te idealistisch. De aanschaf van de bedoelde langhaar (waar we later nog op terugkomen) was waarschijnlijk helemaal geen persoonlijke keuze of voorkeur van Koningin Emma en de hond is vermoedelijk nooit bij haar in huis geweest; misschien heeft ze hem zelfs wel nooit gezien. De reden tot aanschaf van de hond was heel prozaļsch, hij diende namelijk voor de bewaking en om diezelfde prozaļsche reden is hij als afgerichte hond aan Haar verkocht. De hond in kwestie "Faust", was in het begin van de jaren dertig ergens in Brabant gekocht door de eigenaar van de "Nut -en Sportkennels" te Zeist, de heer W. Klerk. Deze werkte nauw samen met de heer van Prattenburg, secretaris   van de Kynologenclub Zeist, ook dresseur en met de heer de Man, eveneens dresseur. Naast het fokken van ruwharige Hollandse Herders kochten ze ook honden om af te richten en om die te verkopen. Faust was van onbekende afstamming. Jaren nį de dood van Koningin Emma, was de hond in het bezit van de heer L. Toet, houtvester van het Koninklijk Domein te Wassenaar.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

index historie