Plannen tot herleving van de langharige Hollandse Herder
Omdat van Rheenen in zijn boekje "De Hollandse en Belgische Herder" van 1934 overgaat naar 1947, moeten we vanaf 1937 putten uit eigen herinneringen en ervaring, want juist de jaren die dan volgen zijn van beslissende betekenis geweest voor de tegenwoordige langharige Hollandse Herders, hun fokkers en hun eigenaren. In juni 1937 kreeg ik ter gelegenheid van mijn 16e verjaardag een jonge, kortharige Hollandse Herder. Dat het een Hollandse Herder was, berustte louter op toeval. De hond was uit het C-nest van een kleine, maar toentertijd zeer goed bekend staande kennel "Van het Jonkerbos" te Nijmegen. Fokker was de heer C. Vis. Deze was actief lid van de NHC en al spoedig werd ik op zijn advies ook lid. Mijn korthaar ontwikkelde zich aardig en werd ook een paar maal tentoongesteld, o.a. op de jubileumtentoonstelling te Utrecht in 1938 ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de NHC.
In de kerstvakantie van 1937, ik zat toen nog op de middelbare school, kreeg ik van een kennis het reeds eerder genoemde jaarboek of kerstnummer van het tijdschrift "De Hond" te leen, waarin de foto stond van Paris, al was deze langhaar dus niet met name genoemd; dit in tegenstelling tot de kort -en ruwharen. Het is ook nu nog niet teveel gezegd dat deze foto mij een schok gaf. Vele malen heb ik in die vakantie gefascineerd daarnaar zitten kijken. Mijn besluit stond vast: dit was de hond die ik wilde hebben, een langhaar!
Ondanks de paar regels die de heer Turion (in mineur) over de langhaar in dat jaarboek schreef, begon ik met jeugdig enthousiasme en optimisme navraag te doen naar langharige Hollandse Herder. Eerst schreef ik de heer Turion als secretaris van de NHC, later gevolgd door mondelinge navraag op vergaderingen van de NHC in hotel "Noord-Brabant" te Utrecht. Toen ik in Toepoels "Onze Honden" de foto van Margando's Brutus had gezien, schreef ik een brief aan dhr. Verhaar te Schiedam. Het wilde er bij mij niet in dat een eigen rasvereniging als de NHC zomaar lijdelijk de ondergang van de langhaar accepteerde. Ik kon mij ook niet voorstellen dat er werkelijk geen langharen meer zouden zijn. De heer Verhaar, die Margando's Brutus nog betrekkelijk kort daarvoor had gehad, móest toch iets weten te vinden.
Verhaar, ook niet wetende dat hij te maken had met een jongen van 16 jaar, schreef mij dat hij slechts kon aanbevelen door terugkruising van kortharen de langhaar terug te krijgen. Ik wist me met dit advies geen raad! Hoe moest ik aan de juiste honden komen en hoe moest ik terugfokken? Het leek me een onbegaanbare en te lange weg; wie zou mij helpen? In die tijd bestonden er nog geen fokadviescommissies en mijn kennis van de erfelijkheidsleer was nihil! In de loop van 1938 maakte de heer Turion mij attent op Dr. W. v.d. Akker te Zeist, die ook zo geïnteresseerd was in de langharige Hollandse Herder en eveneens daarnaar op zoek was. Hij had weliswaar in 1938 op de jubileumtentoonstelling een ruwhaar "Hilda" (gefokt door Ir. J. Voskens) geëxposeerd en er ook een keer mee gefokt, maar kennelijk kon de ruwhaar hem toch niet boeien. Na enige briefwisseling heeft Dr. v.d. Akker me eind 1938 uitgenodigd eens naar Zeist te komen. Ik herinner me nog zijn verbazing - en ook Ir. Voskens kan zich dat nog goed herinneren - toen hij me daar voor zijn voordeur zag staan als 17-jarige! Hij was toen zelf bijna 40 jaar ouder dan ik! Van meet af aan konden wij goed met elkaar opschieten en we hadden allebei hetzelfde doel voor ogen: de langhaar terugvinden en fokken. In de daarop volgende jaren ben ik regelmatig Dr. v.d. Akker in Zeist wezen opzoeken, een enkele keer kwam hij ook naar Nijmegen als daar een aanleiding toe bestond.
Dr. v.d. Akker was in 1881 geboren en reeds voor de eerste wereldoorlog als gouvernementsdierenarts naar het toenmalige Nederlands-Indië gegaan. Aan het begin van de dertiger jaren keerde hij met zijn vrouw, zoon en dochter naar Nederland terug en vestigde zich aan de Platolaan 38 te Zeist. In Nederlands-Indië had Dr. v.d. Akker Duitse Herdershonden gefokt, maar toen ik hem in 1938 leerde kennen, had hij zich helemaal van de Duitse Herder afgewend. In dat jaar was hij immers al met een ruwhaar op een tentoonstelling gekomen. Maar ook dat was kennelijk niet zijn ideaal, hij was toen al op zoek naar een langhaar. Zijn misnoegen over de toenmalige kortharige Hollandse Herder stak hij niet onder stoelen of banken.
Hij heeft mij toentertijd herhaaldelijk zijn motieven daarvoor verteld: teveel Duits type, nerveuze honden en een fok -en beoordelingsbeleid dat zijns inziens dit alles bevorderde. Na wat ik zelf op tentoonstellingen had gezien, kon ik - ondanks mijn jeugd - zijn gedachten hierover heel goed begrijpen. In 1936 was Dr. v.d. Akker lid geworden van de NHC, waarvan Ir. J. Voskens toen penningmeester was. De heer Voskens fokte al enige tijd uitstekende ruwharen, waarvan Dr. v.d. Akker er dus één bezat, De aanvankelijk zakelijke, later een vriendschappelijke relatie met dhr. Voskens is werkelijk van fundamentele betekenis geweest voor de fokkerij van de langhaar. Ir. Voskens was als jong afgestudeerd landbouwkundig ingenieur van Wageningen, met specialisatie bodemkunde, verbonden aan de ontginningsmaatschappij "GrontMij". Zijn standplaats was zijn geboortestad Tilburg en voor zijn werkzaamheden doorkruiste hij zowat heel Brabant, speciaal het midden en het oostelijk gedeelte. Daar zag hij nog Hollandse Herdershonden aan het werk bij de schaapskudden op de heide en als waakhonden.
En dát was nu wat Dr. v.d. Akker zocht: langharen zó van het Brabantse platteland, werkhonden van een "landslag", nog onberoerd door tentoonstellingen, modetrents of inkruising met Duitse herders vanwege hoogte of scherpte. Hij heeft er met mij meerdere malen over gesproken, honden die evenwichtig van karakter en typisch van uiterlijk moesten zijn, gewend aan sober voedsel, trouw en betrouwbaar

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

index historie